

Wanneer de eerste sneeuw valt — meestal rond half november, soms eerder, soms later, afhankelijk van wat de wind boven op de Zirbitzkogel van plan is — wordt Sankt Lambrecht een verhaal dat je alleen zachtjes kunt vertellen. De geluiden worden gedempt, de huizen lijken dieper adem te halen, en aan het einde van de middag, wanneer de lichten aangaan, begint het dal te gloeien als een lantaarn in een grote, witte hand.
Welkom in jouw warme chalet nabij het idyllische dorp. Buiten dansen zachtjes sneeuwvlokken, terwijl binnen het kaarslicht even knettert en geborgenheid schenkt. De besneeuwde bergen hullen je in stilte, alsof de tijd voor een moment vertraagt. Hier vind je rust, gezelligheid met vrienden en familie en momenten die het hart nooit vergeet.
Van het woonkamerraam van een van de chalets tot aan de skipiste van de GrebenzenHöhen zijn het misschien tachtig stappen — minder, als je skischoenen draagt en honger hebt naar Kaiserschmarrn.


De benedictijnenabdij werd in 1076 gesticht door Markward van Eppenstein — zestien jaar vóór de eerste kruistocht, vierhonderd jaar vóór Columbus, en ongeveer in dezelfde tijd waarin de Beieren begonnen bier officieel als voedingsmiddel te beschouwen. Sindsdien is het luiden van de klokken nauwelijks een uur stilgevallen.
In de winter, wanneer de sneeuw de daken bedekt en de rode uientorens als twee wachters in de avondhemel oprijzen, begrijp je waarom de monniken deze plek hebben gekozen. Wie de kruisgang betreedt, krijgt door de oude vensters een licht geschonken dat elders verloren is gegaan: barnsteenkleurig, zwaar, bijna een deel van de lucht zelf.
De abdijbibliotheek bewaart meer dan vijftigduizend banden, waaronder handschriften uit de twaalfde eeuw. Rondleidingen zijn het hele jaar door mogelijk; in de Marmorsaal — een van de mooiste zalen van Stiermarken — worden tussen advent en Pasen regelmatig concerten gehouden.
Wanneer een koor begint te zingen, lijkt de zaal zelf diep adem te halen. Het zeventiende-eeuwse stucplafond werpt de stemmen zachtjes terug, en voor een moment vergeet je dat het buiten aan het sneeuwen is.
Het skigebied GrebenzenHöhen aan de rand van het dorp biedt meer dan 20 kilometer aan pistes en routes, meestal in zicht van de abdijtoren — een detail dat je pas leert waarderen wanneer je op de piste even pauzeert en je bedenkt waar je eigenlijk bent. Het hoogste punt ligt op 1.870 meter, de pistes voeren door open lariksbos, en in stille uren, wanneer de liften even leeg zijn, hoor je beneden in het dal de klokken luiden.
Wie het rustiger wil, neemt de Lärchenpfad met sneeuwschoenen — drie kilometer door een bos dat vooral in late januari, wanneer de rijp de takken zwaar maakt, uitnodigt tot een soort langzame aandacht. Geen muziek, geen borden, geen wegwijzers. Alleen het pad, de bomen, en de sporen van die ene haas die je steeds een half uur voor is.


Soms, op een heldere januariavond, wanneer de laatste skiërs al in het dal zijn, zie je vanaf het bergstation de lichten van de abdijkerk oplichten — alsof iemand een kaars in de sneeuw heeft gezet.
In de zomer opent het dal zich als een hand. De alpenweiden worden diepgroen — een groen dat met geen enkel palet werkelijk te beschrijven valt, omdat het elk uur subtiel verandert, afhankelijk van waar de zon op dat moment staat. De larixen lichten op, de weiden ruiken naar hooi en lavendel, en op de helling boven de abdij begint elke ochtend het oude concert van de koeienbellen.
Op de fietspaden rond de abdij — de Murradweg R2 loopt dwars door het dorp — kom je eerder mountainbikers tegen dan auto’s. En op de abdijhoven vinden kamermuziekconcerten plaats onder lindebomen die ouder zijn dan de provincie Stiermarken zelf. Er hangt een programma, ja; maar niemand zal streng kijken als je zomaar binnenloopt en op een bank gaat zitten.
De Stiftsgarten — opnieuw aangelegd naar historisch voorbeeld — is in juli een concert in een andere toonaard: rozen, lavendel, salie, en in het midden het tuinhuis met zijn gebogen leien koepel, dat eruitziet alsof het uit een oude gravure is weggelopen.
Sankt Lambrecht ligt in het Naturpark Zirbitzkogel-Grebenzen — een van de stilste beschermde gebieden van Stiermarken, achthonderdvijftig vierkante kilometer bos, alpenweide en hoogveen. Op de weiden grazen runderen waarvan de hoorns zo ver uit elkaar staan dat je er bijna een zomerkwartier tussen zou kunnen nemen. Ze heffen het hoofd op wanneer je voorbijloopt, kijken kort, en kauwen verder — alsof ook wij wandelaars slechts een wat eigenaardig gevormd deel van het landschap zijn.
De Auerlingsee, ingebed tussen larix en spar, houdt zijn water zo helder dat de bergen op het oppervlak scherper lijken dan op de werkelijke hellingen. Wie paden zoekt, vindt ze hier in twee richtingen: omhoog, naar de alpenhutten, of naar binnen, naar de eigen gedachten — wat op het einde vaak op hetzelfde neerkomt.
Elke alpenweide heeft haar eigen klank. De dieren dragen bellen in verschillende maten en toonhoogtes, zodat de boer al van verre herkent welke kudde waar graast. Op stille zomermiddagen klinkt de Grebenzen als een oud, los klokkenspel dat niemand heeft gecomponeerd — en juist daarom zo volmaakt is.
In de zomer verzamelt het leven zich rond meerdere plekken. Het openluchtzwembad bij de oude burchtruïne — waar de muren uit de dertiende eeuw sinds jaar en dag de zwemmers gadeslaan, met dat zelfde welwillende geduld dat oude muren nu eenmaal hebben. De fontein in de Stiftsgarten, waar kinderen hun handen in het koude water steken en plannen smeden die voor precies één zomermiddag standhouden. Wandelpaden richting de bedevaartskerk Maria Schönanger boven aan de bosrand, een geel huisje met een gouden bol op de toren, waarheen je een uur opklimt en waar je naar wens een paar pilsjes geniet. En de Dreiwiesenhütte, waar de Kaiserschmarrn zo groot zijn dat ze een eigen postcode zouden verdienen.




Wie hier komt, keert niet rijker terug — maar stiller.
Sankt Lambrecht ligt ongeveer twee uur ten zuidoosten van Salzburg en vijftig minuten ten noorden van Klagenfurt.